Uitspraak rechter over de vermoedelijke wens van de overledene
Dinsdag 8 september 2026Wat te doen als nabestaanden verschillend denken over de plaats of vorm van de uitvaart en de overledene zelf niets duidelijk heeft vastgelegd? Een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 21 juli 2026 laat zien hoe de vermoedelijke wens van de overledene bepaald wordt.
Familie wil crematie in India, echtgenoot in Nederland

De rechtszaak ging over een 32-jarige vrouw die in India was geboren en opgegroeid. Zij trouwde daar in 2024 en verhuisde eind 2025 met haar echtgenoot naar Nederland. Na haar onverwachte overlijden in juli 2026 schakelde haar echtgenoot een uitvaartverzorger in. Deze vroeg namens hem verlof aan voor crematie in Nederland.
De familie van de vrouw woonde in India en verzette zich tegen die crematie. Haar ouders en broer wilden dat het lichaam naar India werd overgebracht, zodat daar volgens de hindoeïstische traditie afscheid kon worden genomen en de crematie kon plaatsvinden. De echtgenoot wilde juist in Nederland afscheid nemen en had samen met de uitvaartverzorger geregeld dat hindoeïstische priesters bij de crematie aanwezig konden zijn. Omdat partijen er niet uitkwamen, belandde de kwestie vlak voor de geplande crematie in kort geding.
De wens van de overledene staat centraal
Artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat de lijkbezorging plaatsvindt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. In deze zaak had de vrouw niet verteld of vastgelegd waar en op welke manier zij na haar overlijden gecremeerd wilde worden. De rechter moest daarom vaststellen wat zij vermoedelijk zou hebben gewild.
Ook omstandigheden kunnen iets zeggen over die wens
Om de vermoedelijke wens vast te stellen keek de rechter naar meerdere omstandigheden. De vrouw was in India geboren en opgegroeid in een gezin waarin hindoeïstische tradities belangrijk waren. Zij had vrijwel haar hele leven in India gewoond en was pas relatief kort in Nederland. De rechter zag geen aanwijzingen dat zij afstand had genomen van haar culturele achtergrond, haar familie of de banden met India.
Daarnaast waren na haar overlijden handgeschreven briefjes gevonden. Daarin stond niet concreet hoe haar uitvaart moest plaatsvinden. De rechter leidde er wel uit af dat zij zich aan het einde van haar leven sterk verbonden voelde met haar familie in India. Samen met de andere omstandigheden ondersteunde dat het vermoeden dat zij bij haar familie in India volgens de hindoeïstische traditie gecremeerd wilde worden.
Uit iemands afkomst of religie kunnen dus niet automatisch diens uitvaartwensen worden afgeleid. Ook de rechtbank deed dat niet. De rechter keek naar het geheel van omstandigheden en concrete informatie over het leven en de persoonlijke banden van de vrouw.
De opdrachtgever heeft niet automatisch het laatste woord
Voor uitvaartverzorgers is vooral interessant dat de echtgenoot de uitvaart al had geregeld en voor crematie in Nederland had gekozen. Toch verbood de rechter hem om die crematie door te laten gaan. Het lichaam moest na een afscheidsceremonie in Nederland worden vrijgegeven voor overbrenging naar India.
Tegelijk wees de rechter het verzoek van de familie af om haar als enige beslissingsbevoegd te verklaren. De uitspraak creëert dus geen rangorde waarin bijvoorbeeld de echtgenoot, ouders of andere familieleden per definitie het laatste woord hebben.
Uitvaartverzorger gedagvaard
De uitvaartverzorger was in deze procedure zelf ook gedagvaard. De rechter ging ervan uit dat hij in opdracht van en namens de echtgenoot handelde. Daarom zag de rechter geen reden om ook de uitvaartverzorger te verbieden de crematie te laten plaatsvinden of hem afzonderlijk te veroordelen tot vrijgave van het lichaam. De vorderingen tegen de uitvaartverzorger werden afgewezen en de familie moest zijn proceskosten vergoeden.
Belang vermoedelijke wens van de overledene
Deze zaak laat duidelijk zien dat een opdrachtgever niet volledig vrij is in de keuze voor de lijkbezorging. De wens van de overledene staat voorop. Is die niet vastgelegd, dan kunnen uiteenlopende omstandigheden samen voldoende zijn om een vermoedelijke wens vast te stellen. Dat betekent niet dat je als uitvaartverzorger bij iedere uitvaart onderzoek moet doen naar mogelijke afwijkende familieopvattingen. Maar ontstaat er daadwerkelijk een serieus geschil, dan is alleen de instructie van de opdrachtgever niet altijd voldoende. De vermoedelijke wens van de overledene staat voorop; andere nabestaanden kunnen de rechter daarop wijzen.








Reacties
Brigitte Wieman – directeur Verbond van Uitvaartzorg
6 oktober 2026Nee, het enkele feit dat achteraf een andere wens van de overledene blijkt, betekent niet automatisch dat de uitvaartverzorger in gebreke is gebleven of aansprakelijk is.
De Wet op de lijkbezorging stelt voorop dat de lijkbezorging overeenkomstig de wens of vermoedelijke wens van de overledene moet plaatsvinden. Voor de uitvaartverzorger betekent dit naar mijn oordeel vooral een zorgvuldigheidsplicht: hij moet bij de opdrachtgever en waar de omstandigheden daartoe aanleiding geven bij andere betrokkenen nagaan wat de wens van de overledene was en of daarover iets is vastgelegd.
Een uitvaartverzorger kan echter niet zonder aanleiding verantwoordelijk worden gehouden voor informatie waarvan hij niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet op de hoogte kon zijn. Als de opdrachtgever zegt dat de overledene gecremeerd wilde worden, er geen aanwijzingen voor het tegendeel zijn en de uitvaartverzorger zorgvuldig heeft gevraagd naar eventuele vastgelegde wensen, dan wordt hij naar mijn oordeel niet ineens verwijtbaar doordat na de crematie een testament of andere verklaring wordt gevonden waarin staat dat de overledene begraven wilde worden.
Dat verandert zodra er vóór de uitvaart gerede twijfel ontstaat. Als iemand bijvoorbeeld meldt dat de overledene begraven wilde worden, dat er mogelijk een schriftelijke wilsverklaring bestaat, of wanneer nabestaanden elkaar tegenspreken over begraven of cremeren, kan de uitvaartverzorger niet zonder meer uitsluitend op de instructie van zijn opdrachtgever varen.
Omdat begraven en met name cremeren onomkeerbare beslissingen zijn, moet hij dan nader onderzoek doen en zo nodig de uitvoering opschorten. Bij een ernstig geschil kan uiteindelijk een spoedprocedure bij de rechter nodig zijn.
Ik zou daarom ook liever niet spreken over ‘schuld’. De betere vraag is:
Heeft de uitvaartverzorger, gelet op de informatie die hij op dat moment had of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen, gehandeld zoals van een zorgvuldig handelend uitvaartverzorger mocht worden verwacht?
Als het antwoord daarop ja is, dan maakt een later opgedoken andersluidende wens hem niet automatisch aansprakelijk. Als hij daarentegen concrete signalen over een andere wens heeft genegeerd en toch een onomkeerbare handeling heeft laten plaatsvinden, kan dat wel aanleiding geven voor een klacht en mogelijk civielrechtelijke aansprakelijkheid.
Josephine Aerts
1 oktober 2026Ik vraag me af wat er kan gebeuren als je als uitvaartverzorger een uitvaart hebt geregeld en achteraf blijken er andere wensen vastgelegd?
Een testament wordt vaak pas na de uitvaart geopend.
Ben je in gebreke gebleven?
Ben je ‘schuldig’ als jij op vraag opdrachtgever meewerkte aan crematie en later blijkt de wens begraven geweest?